Pilot in het ETZ: Basisartsen actiever laten leren

‘Alleen samenwerken en af en toe overleggen is iets anders dan doelgericht aandacht geven aan leren.’ Hoe kunnen supervisoren basisartsen tijdens het dagelijkse werk actiever laten leren en meer eigenaarschap geven over hun ontwikkeling? In een nieuwe pilot van het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (ETZ) kijkt een coach mee tijdens hun werk. Zo onderzoekt het ETZ of coachend begeleiden basisartsen helpt om leermomenten beter te benutten. Onderwijskundig adviseur Mirelle Voskes en opleidingsadviseur Monique Dooijes vertellen wat dat oplevert.

De ETZ-pilot is een van de tien pilots binnen het project Ruimte voor opleiden van de Federatie Medisch Specialisten. Verschillende ziekenhuizen onderzoeken daarin hoe het leren en begeleiden van basisartsen kan worden versterkt. Het ETZ bouwt in hun pilot voort op ervaringen met coachend begeleiden van verpleegkundestudenten. Coachend begeleiden betekent in deze pilot dat supervisoren basisartsen helpen om tijdens het dagelijkse werk bewust te leren en steeds meer regie te nemen over hun eigen ontwikkeling.

De pilot vindt plaats op de spoedeisende hulp en in de kliniek bij cardiologie, twee afdelingen met een heel verschillende dynamiek. Zeven supervisoren en zes basisartsen nemen deel.

Opleidingsadviseur Monique Dooijes, van oorsprong verpleegkundige en opgeleid als coach, loopt met ieder duo drie keer drie uur mee. Tijdens dit ‘schaduwen’ observeert zij hoe de begeleiding tijdens het werk verloopt. ‘Ik benadruk steeds dat zij vooral moeten werken zoals ze dat normaal ook doen. Ik kom niet om hen te beoordelen.’ 

m voskes en m dooijes

Leren begint met goed kijken

Vanaf het moment dat zij binnenkomt, kijkt Dooijes naar de hele werkomgeving. Hoe communiceren collega’s met elkaar? Welke verbale en non-verbale signalen zijn zichtbaar? Waar ontstaan kansen om te leren?

De patiëntenzorg gaat altijd voor. Dooijes verstoort het werk niet, maar gebruikt geschikte momenten om een vraag te stellen of een observatie terug te geven. ‘Ik benoem bijvoorbeeld: ik hoor je dit zeggen, maar ik zie iets anders gebeuren. Wat gebeurt hier? Het doel is niet om te vertellen wat iemand fout doet, maar om samen nieuwsgierig te onderzoeken wat er speelt.’

De kracht van één simpele vraag

Een coachende supervisor geeft niet meteen de oplossing, maar onderzoekt eerst wat de basisarts al weet, denkt en nodig heeft. Een vraag die Dooijes vrijwel altijd stelt, is: ‘Hoe leer jij?’ Geen van de deelnemende basisartsen gaf tot nu toe aan dat die vraag eerder was gesteld. ‘Als je wilt aansluiten bij iemands ontwikkeling, moet je weten hoe diegene leert. Anders val je gemakkelijk terug in het patroon waarin jonge artsen vooral nadoen wat ze hun supervisor zien doen.’

Coachend begeleiden is volgens Voskes dan ook meer dan een gesprekstechniek. ‘Het gaat om aandacht en om de ander als mens zien. Dat begint met eenvoudige vragen: hoe gaat het met je, wat wil je leren en hoe kan ik je daarbij helpen?’

‘Een coachende begeleider onderzoekt wat iemand nodig heeft. Soms moet je iemand uitdagen, soms juist meer tijd of veiligheid geven,’ vertelt Dooijes. Ook toon, aandacht en non-verbale communicatie spelen daarbij een rol. ‘Je kunt vragen wat iemand wil leren, maar als je vervolgens niets met het antwoord doet, is die vraag weinig waard.’

Die aandacht is belangrijk, omdat basisartsen al kort na hun indiensttreding veel verantwoordelijkheid kunnen dragen. Een gelijkwaardige relatie en een veilige sfeer kunnen het makkelijker maken om onzekerheden te bespreken en tijdig hulp te vragen.

Coachend begeleiden begint bij de supervisor

Definitieve conclusies zijn er nog niet. Volgens Voskes worden supervisoren zich door de pilot vooral bewuster van hun invloed op het leerproces en van kansen om leren tijdens het werk actief te stimuleren. ‘Een supervisor maakt het verschil: die is een rolmodel, herkent leermomenten en kan het leerproces actief aanjagen.’

Met vragenlijsten, tussentijdse gesprekken en een afsluitende focusgroep onderzoekt het ETZ hoe basisartsen en supervisoren de aanpak ervaren en wat nodig is om die structureel toe te passen. Tijd wordt nu al genoemd als belangrijke randvoorwaarde.

Ook andere vakgroepen binnen het ETZ tonen belangstelling. ‘Een arts blijft altijd leren, of diegene nu formeel in opleiding is of niet’, zegt Voskes. ‘Als we leren tijdens het werk bewuster stimuleren, kan dat bijdragen aan betere artsen, betere zorg en meer plezier in het vak.’