Pilot in OLVG: Boost de basisarts
Basisartsen (eerder anios) dragen dag in dag uit grote verantwoordelijkheid, maar worden structureel minder begeleid dan coassistenten of aios. Bij het OLVG besloten ze dat anders te doen: met een onderwijsprogramma gericht op professionele en medische ontwikkeling geven basisartsen een stevige start. Onderwijscoördinator Malou Ensink, opleider Nynke Kalkers en basisarts Fien van Dooren vertellen hoe zij binnen de pilot Ruimte voor opleiden voortbouwen op een bestaand initiatief en wat dat in de praktijk oplevert.
Een stevige start voor basisartsen
Coassistenten en aios worden intensief begeleid. Maar de basisarts, vaak het eerste aanspreekpunt op de meest cruciale momenten op de afdeling, valt regelmatig in een gat. Bij OLVG zagen ze dat al langer. Ensink vertelt: ‘Basisartsen vielen qua begeleiding tussen wal en schip. Daarom bedachten we het Anios Empowerment Programma. Het programma biedt een structuur op vier vlakken: onderwijs en leerontwikkeling, begeleiding op de werkvloer, loopbaanoriëntatie en monitoring van vaardigheden.’
Ook Kalkers zag de urgentie. 'De overgang van coassistent naar basisarts is ingrijpend. De groep is divers: sommigen zijn net begonnen, anderen hebben al ervaring in andere perifere ziekenhuizen. Maar voor iedereen geldt dat de verantwoordelijkheid plotseling groot is. Van familiegesprekken tot het zelf ondertekenen van de medicatie-opdrachten en de notities, de werkzaamheden zijn breed.' Het programma bood hiervoor ondersteuning, maar had een praktisch knelpunt: de opkomst bleef laag. 'Basisartsen konden zichzelf moeilijk vrijmaken', zegt Kalkers.
Van losse uren naar één krachtige middag
Samen met een basisarts-panel en de onderwijscommissie onderzochten Ensink en haar collega's hoe het beter kon. De oplossing: alle elementen samenvoegen tot één intensieve middag, gevolgd door een begeleidingstraject dat nog in ontwikkeling is. Zo ontstond de trainingsmiddag ‘Boost de basisarts’. Basisartsen kunnen er een dagdeel volledig in opgaan, zonder afgeleid te worden door afdelingszaken. Voor de afdeling heeft de langere afwezigheid consequenties, weet Kalkers. ‘Maar die ruimte moeten basisartsen wel krijgen. Uiteindelijk heeft dat de winst dat mensen beter werk gaan leveren en gemotiveerder zijn.’
De pilot kent twee sporen. Het eerste is de invulling van een algemeen trainingsprogramma voor alle basisartsen, gericht op professionele en medische ontwikkeling. Het tweede spoor richt zich op extra begeleiding en ondersteuning op verschillende afdelingen, vooralsnog neurologie en gynaecologie. Daar wordt in kaart gebracht hoe begeleiding kan worden geoptimaliseerd, worden interventies getest en best practices gedeeld, met het oog op bredere verspreiding naar andere vakgroepen.
'Een inspirerende en leerzame middag'
Van Dooren schreef zich in voor de eerste editie van Boost de basisarts. Ze was zes maanden in dienst als basisarts psychiatrie en wilde zich breder ontwikkelen. De middag had een heldere opbouw: kennismaken, casuïstiekbespreking, speeddates met collega's uit andere vakgebieden en een mini-intervisie met groepsreflectie. Bij de speeddates kon iedereen vragen stellen over het specialisme van de ander. 'Dat kon heel breed zijn', zegt Van Dooren, 'Je kon vragen stellen over dingen die jij zelf ingewikkeld vindt of juist tips geven.'
De afsluiting was concreet en toekomstgericht: iedere deelnemer formuleerde een persoonlijk experiment. Ensink legt het idee uit: 'Welk onderdeel van deze dag wil ik in de praktijk uitvoeren? Dat kan qua medisch-inhoudelijke casuïstiek zijn, of het gaat over valkuilen of kwaliteiten.'
Resultaten en aandachtspunten
Ensink steekt niet onder stoelen of banken dat de opzet veel heeft gevergd: 'Er is echt veel tijd en energie in gaan zitten.' De eerste editie overtrof haar verwachtingen; doelen werden behaald en de sfeer was goed. Kalkers hoorde hoe enthousiast een van de deelnemers was. 'Hij had echt het gevoel dat hij er wat aan had, en heeft dat ook gedeeld met zijn collega's. Het moet zich rondzingen dat dit goed is om te doen', zegt Kalkers. Over twee maanden volgt de tweede editie.
Tegelijkertijd vraagt de doorwerking buiten de trainingsmiddag nog aandacht. In de meeste vakgroepen staat de begeleidingsstructuur al: kwartaalgesprekken met een mentor, aios-buddy's, de mogelijkheid om een portfolio bij te houden. 'De structuur staat op zich, maar ik denk dat we die nog beter kunnen benutten', zegt Ensink. Mentorgesprekken die niet verder gaan dan 'gaat het goed, heb je nog vragen?' dragen weinig bij aan echte professionele ontwikkeling. Die reflectie verdient meer ruimte.
Teamgevoel als fundament
Kalkers ziet de trainingsmiddag als bouwsteen voor iets groters. 'Je moet het echt zien als het creëren van een team, zodat mensen voelen dat ze onderdeel zijn van dat team. De patiënt stopt niet bij één specialisme. Die heeft een aandoening die over het hokje heen gaat.'
Van Dooren sluit zich daarbij aan: 'Het is echt heel waardevol om met basisartsen uit verschillende specialismen samen te komen, te sparren en een gevoel van draagvlak te creëren in het ziekenhuis.'
Ensink kijkt nog verder vooruit. Ze geeft ook onderwijs aan geneeskundestudenten en ziet dat enthousiasme voor ziekenhuiswerk onder een nieuwe generatie niet vanzelfsprekend is. 'Ik hoop een stukje bij te kunnen dragen dat werken in het ziekenhuis leuk is. Als er veel blije dokters rondlopen, dan helpt dat denk ik een hoop.'