Passend bewijs in richtlijnen
Niet iedere klinische vraag vraagt om dezelfde mate van zekerheid van het wetenschappelijk bewijs. Hoeveel zekerheid nodig is om tot een richtinggevende aanbeveling te komen, hangt mede af van de specifieke situatie en context. Het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten heeft daarom, in samenwerking met Cochrane Nederland en deskundigen uit de praktijk, een systematiek ontwikkeld voor passend bewijs in richtlijnen.
In de praktijk werd vaak pas na beoordeling van de literatuur, of impliciet, besproken hoeveel zekerheid van het bewijs, gezien de context, nodig was om richting te kunnen geven. De systematiek haalt dit gesprek naar voren in het richtlijnproces en ondersteunt richtlijnwerkgroepen om deze afweging expliciet te maken en vast te leggen.
Hoe werkt het?
De systematiek wordt toegepast nadat de uitgangsvraag en PICO zijn opgesteld en vóór de literatuursearch. Aan de hand van signalerende vragen bespreekt de werkgroep relevante contextuele factoren, zoals de risico’s en belasting voor patiënten, gevolgen van wel of niet behandelen, maatschappelijke gevolgen en beschikbare alternatieven. Op basis hiervan bepaalt de werkgroep welke mate van zekerheid van het wetenschappelijke bewijs nodig is om tot een richtinggevende aanbeveling te komen.
Vervolgens wordt de literatuur met de GRADE-methode beoordeeld en wordt duidelijk hoeveel zekerheid het beschikbare bewijs biedt. Door de benodigde en beschikbare zekerheid met elkaar te vergelijken, kan worden vastgesteld of het beschikbare bewijs aansluit bij wat vooraf nodig werd geacht.
Bijdrage aan passende zorg en kennisvragen
De systematiek ondersteunt het formuleren van proportionele en goed onderbouwde aanbevelingen, zonder daarbij de kwaliteitseisen voor het beoordelen van wetenschappelijk bewijs te verlagen. Wanneer de benodigde mate van zekerheid niet wordt bereikt, maakt de werkwijze zichtbaar dat er onvoldoende onderbouwing kan zijn om een interventie aan te bevelen. Dit kan, afhankelijk van de context en beschikbare kennis, aanleiding zijn voor een terughoudende of ‘doe het niet’-aanbeveling.
Daarnaast maakt de systematiek inzichtelijk waar belangrijke kennisvragen bestaan. Door expliciet te maken welke mate van zekerheid nodig is en waarom, kan gerichter worden bepaald waar aanvullend onderzoek nodig is en welk onderzoek kan bijdragen aan het verkrijgen van passend bewijs.
Ontwikkeling van de systematiek
De systematiek is ontwikkeld op basis van literatuuronderzoek, casuïstiek en interviews. Vervolgens is via schriftelijke rondes en consensusbijeenkomsten input opgehaald bij deskundigen. De conceptsystematiek is getest binnen het modulair onderhoud van richtlijnen en daarna voorgelegd in een brede commentaarfase. De ontvangen ervaringen en commentaren zijn verwerkt in de definitieve systematiek. De systematiek is geaccordeerd door het bestuur van de Federatie Medisch Specialisten.
Vervolg
Het project Ontwikkeling van een uniforme systematiek voor bepaling van passend bewijs bij richtlijnen is daarmee afgerond. De systematiek wordt op dit moment stapsgewijs geïmplementeerd binnen de richtlijnontwikkeling van de Federatie Medisch Specialisten. Ervaringen uit de praktijk worden gebruikt om de werkwijze blijvend te evalueren en waar nodig verder te verbeteren.
Meer informatie
Meer weten over de ontwikkeling en onderbouwing van de systematiek? Bekijk de eindrapportage van het project.
Lees ook het nieuwsbericht Nieuwe systematiek maakt afweging over passend bewijs transparant.
Voor meer informatie over de systematiek kun je contact opnemen met:
- Femke Janssen, adviseur, f.janssen@kennisinstituut.nl
- Stefanie Hofstede, afdelingsmanager, s.hofstede@kennisinstituut.nl